Hoofdstuk

1.2

In dit hoofdstuk beschrijf ik hoe ik mijn middelbare schooltijd heb beleefd, waar ik tegelijk opbloeide, maar ook voor het eerst psychische klachten had.

De middelbare school
1996-2002

In zomer 1996 ging ik, samen met m’n zus, naar de brugklas. De school had genoeg leerlingen om een vwo-brugklas te vormen. En ik zat dan ook voor het eerst met mensen van gelijke intelligentie. Het was allemaal wel erg spannend. Voor het eerst zonder ouders door de stad lopen, op weg naar school, met enorme tassen achter op onze ruggen. Mijn moeder vond dat boekentassen beter waren dan gewone rugzakken, en ik had me dan ook helemaal door haar mening laten leiden, zoals ik vaker deed. Op school bleek dat iedereen een gewone rugzak had, en er werd gelachen om onze boekentassen. Het kostte mij het eerste jaar moeite om te wennen. Af en toe werd ik gepest door mensen uit andere klassen, bijvoorbeeld bij de gymles en in de pauze, en bracht ik de pauzes soms, om dit te vermijden, door in de bibliotheek van de school, waar de niet-pestende stuutjes zaten. In de klas zaten een aantal mensen bij wie ik me niet thuis voelde, maar ook een aantal bij wie ik me wel thuis voelde en daar trok ik dan ook de meeste tijd mee op. Ik kreeg ook voor het eerst écht het gevoel van vriendschap. Ik kon vooral goed opschieten met Frank, een slimme jongen die trompet speelde, en bij de eerste les Frans al op z’n donder kreeg omdat hij een flyer door de klas gooide, net op het moment dat de docent binnenkwam. We zouden die eerste jaren gieren van het lachen, en onze docent wiskunde begon z’n preken dan ook vaak met: “Heren daar vooraan…” Ik had een Strip-agenda en die stond vol hilarische Dirkjan-strips, van Mark Retera. Dus die bekeken we één voor één en dat zorgde voor de nodige hilariteit. Frank had absurde humor, keek regelmatig naar Jiskefet en The Fast Show, waarop hij het op school nadeed, waarop we weer lol hadden. En hij maakte me ook enthousiast voor die programma’s. Z’n moeder was hilarisch, je kon altijd met haar lachen, maar z’n vader was een beetje een vreemde. Toen hij me een keer op de bus zette, nadat ik bij Frank thuis was geweest, vertelde hij Frank, dat ik tijdens de autorit naar de bushalte in mezelf aan het praten was. Althans, dat vertelde Frank mij later. Nee, oen dat ie is. Ik praatte tegen hém natuurlijk. Ik probeerde een gesprek aan te knopen, maar hij antwoordde op niets. Die vader was zo uit contact en niet sociaal dat hij nooit aanbelde op feestjes als hij Frank kwam ophalen, maar in de auto bleef totdat Frank hem uiteindelijk zag staan, drie kwartier later. Zeer maf!

Ook trok ik veel op met Johan, een slimme pianospelende zoon van een kritisch ondernemerspaar. Erg geïnteresseerd in politiek, muziek, cultuur, en een hoog niveau nastrevend in alles wat hij doet, behalve dan op empathisch vlak. Hij roept dan ook regelmatig dat hij anderen niet nodig heeft, en toont geen empathie als mensen overlijden. Één van z’n exen noemt hem zelfs een roofdier. En ja, ik kan het achteraf wel enigszins begrijpen, want hij toont z’n zwakkere punten niet echt van huis uit, dat is niet toegestaan, want hij moet altijd de beste zijn in alles, en wordt veel bekritiseerd, wat wel voor kwaliteit zorgt. Hij wordt absoluut niet verwaarloosd, en daardoor kijk ik wel tegen hem op. Wat me opvalt bij hem is dat hij vaak doet alsof hij braaf naar autoriteit luistert, maar eigenlijk gewoon het schijt aan ze heeft en z’n eigen gang gaat. Wat soms voor problemen zorgt, maar ook soms voor geweldige momenten. We klikken erg goed tijdens de schooltijd, want we streven allebei naar kwaliteit en ik voel me ontzettend welkom bij hem thuis.

Ook Lenny is een bijzondere gast die ik ken vanaf de brugklas. Hij speelt piano, en kon af en toe flink boos zijn bij onrecht! Maar het was een mooie kerel. Z’n ouders zijn gescheiden en z’n vader is drumleraar. Z’n moeder kookt vaak Indonesisch: vooral op de feestjes kunnen we heel uitgebreid eten. Alleen Frank vind het smerig. Meestal gingen we op de feestjes voetballen. De rest was dan altijd veel fanatieker dan ik. Ik hing er dan maar een beetje bij, want ik gaf niet zo om voetbal. Z’n moeder brengt ons altijd thuis na die feestjes in haar Daihatsu Koekblik en Lenny vind dat ze maar een bom op mijn dorp moeten gooien. Bij feestjes heeft ie vaak geen kadootje bij, maar dat vindt niemand erg.

Verder zit ook soms Abdel bij ons groepje, een Marokkaanse gast die vanaf de brugklas zegt dat hij niet met meisjes praat. Later komt hij daar van terug. (Wie niet?). Hij doet een keer Red Bull in mijn drinkflesje, waarop hij niet meer bijkomt. Ook komt hij een keer helemaal kaalgeschoren op school, waarop ik vraag of hij nieuwe schoenen heeft. We houden elkaar regelmatig voor de gek. Hij schudt regelmatig nee, terwijl hij ja zegt, en andersom. Later wordt hij opgenomen op de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis en zien we hem een tijd daarna terug op school, alwaar hij nu een flitsende indruk maakt met een nieuwerwetse walkman. Ook zijn zusje zie ik, helaas voor haar, later terug in de geestelijke gezondheidszorg.

In de brugklas voeren we met meerdere klassen The Canterbury Tales uit van Geoffrey Chaucer. En ik mag voor de geluidseffecten zorgen. Het ging er best behelpen aan toe. De cassetterecorder die aangesloten was op de speakers in de kantine waar het stuk uitgevoerd werd, stond namelijk boven, aan de balustrade van de aula. Ik hoorde niets van wat er zich afspeelde in de kantine, dus Frank moest mij een teken geven wanneer ik ieder geluidseffect moest afspelen. Dat ging natuurlijk helemaal mis. Maar leverde hilarische momenten op voor het publiek, wat eigenlijk wel past bij het stuk. Ook speel ik samen met Frank en Johan in het tweede jaar op een voordrachtavond van de school wat nummers. In de brugklas zien we ook, heel toevallig, mevrouw Meeren terug van de AMV-lessen die we eerder hadden toen we op de basisschool zaten. Zij wordt onze lerares in dat eerste jaar. Ze vindt het nog steeds belachelijk dat we blokfluit zijn blijven spelen, maar later wanneer zij met haar harmonievereniging het stuk Poème Montagnard uitvoert van Jan van der Roost, zoekt zij twee blokfluiters die samen met twee andere blokfluiters het belangrijkste thema van het stuk introduceren midden in het stuk, waarop de hele harmonie het overneemt. Dat is een mooi concert, en een ontzettend leuke ervaring, en ik luister nog wel eens de opname (niet de onze) die van het stuk ooit uitgebracht is op cd. Mijn zus kreeg trouwens de bloemen van de dirigent. Erg leuk.

De school geeft regelmatig concerten waarop leerlingen optreden. Ik heb ondertussen samen met mijn zus Lauren en een vast blokfluitmaatje genaamd Janneke, een ensemble gevormd, en we spelen regelmatig samen, soms 3-stemmig, soms 4-stemmig met onze lerares erbij. Met z’n drieën treden we regelmatig op bij die concerten, wat altijd wel leuk is. Ook voeren we regelmatig stukken uit van meneer Winkel, onze muziekleraar in de tweede tot en met de vijfde klas. Het dieptepunt van onze optredens buiten school is wel als we met een drumband door de sporthal ‘moeten’ lopen terwijl we een flauw wijsje spelen, en dat ze ons nog hoedjes opzette ook. Ik liet mezelf dus weer voor lul zetten, en in plaats van dat ik boos werd en het weigerde, deed ik braaf als een sukkel mee, want voor jezelf opkomen was geen optie. Wat een ellende. Ik zie nog de duivelse lach voor me van de vrouw die me het hoedje opzette. Het hoogtepunt van onze optredens buiten school is een zomerconcert van de zangvereniging van m’n ouders, waar ons ensemble samen met onze lerares een prachtig stuk spelen, en waar ik ook met meneer Winkel optreed met een geweldige Sonate die hij had geschreven. Ook Janneke komt helaas terecht in de geestelijke gezondheidszorg.

Hoe verder we op het einde van de middelbare schooltijd geraken, hoe leuker het op school wordt. Maar helaas kwamen de grote angsten die ik in me had, toch steeds terug. Ik had last van grote onzekerheden. Ik voelde me niet altijd veilig en de puberteit versterkte dit alleen maar. Wie was ik? Ik was ontzettend kritisch naar mezelf. Ik ontwikkelde een groot kledingprobleem en voelde me superonzeker in nieuwe kleding en het kwam vaak voor dat ik bepaalde kleding niet meer droeg, omdat het zoveel angst veroorzaakte. Een geruite overhemd was niet echt populair op dat moment, maar mijn moeder vond het zo leuk staan, dus ik had me laten overtuigen. Want een eigen stijl had ik totaal niet. Wist ik veel wat ik moest aantrekken. Op school kreeg ik van een mooi meisje uit de klas er een opmerking over. Ze noemde me Boer Harms. Datzelfde meisje maakte een opmerking dat ik me moest scheren, toen de eerste snorharen doorkwamen. Ik voelde me vaak bekritiseerd en helemaal niet veilig. Bij iedere opmerking of spiegel die een ander voorhield, dacht ik dat de ander heel ontevreden met me was. En vooral als het meisjes waren, waarop ik heel erg gericht was en op wie ik indruk wilde maken, voelde het vreselijk. Van de mening van jongens trok ik me veel minder aan, want daar had ik op romantisch gebied schijt aan. Bij jongens werd ik alleen angstig als ze me echt bedreigden of pestten.

Ondertussen was ik vaak erg druk, vroeg ik veel aandacht in de klas door geluiden te maken, en stak ik constant de draak met alles en iedereen. Dit waren allemaal manieren voor mij om om te gaan met de heftige, overspoelende angst die ik in me had. Maar het gaf ook aan dat ik m’n energie wel kwijt kon bij de rest van de klas.

De schoolvakanties waren echter een ramp. Ik had geen afleiding meer, bijna geen vrienden om me heen en werd hopeloos met mezelf geconfronteerd. Gelukkig had ik één vriend in mijn dorp, Kevin, die een straat verder woonde, waar ik goed mee kon opschieten. We spraken regelmatig af en kochten veel computerspelletjes bij de Marskramer die we uitgebreid speelden. Ook waren we regelmatig aan het doeltje schieten op het grasveld naast z’n huis. Op bepaalde momenten lopen we zelfs kwaadaardig over straat te zoeken naar slachtoffers, waar we mee konden vechten, heel laf meestal jongens die jonger waren dan wij. Één keer pak ik een jongere jongen die we tegenkomen en die wat zit te klieren zelfs beet bij z’n benen, en draai ik hem in het rond en laat hem dan los op het grasveld. Een laffe daad, waar ik nog altijd spijt van hebt. Tijdens een avondvierdaagse worden we constant lastiggevallen door een groepje jongere jongens, die het op ons voorzien hebben. De leider van het groepje, pak ik op een gegeven moment beet en gooi ik in een greppel, iets wat meer op z’n plek voelde dan het eerdere geval. Helaas zegt hij dat hij de volgende dag z’n broer erbij zal halen, die berucht is in heel het dorp omdat hij zo agressief is. Maar blijkbaar had ik toen al een engelbewaarder, want hij is wel aanwezig de volgende dag, maar blijft rustig in z’n auto zitten. Maar wat was ik bang.

Kevin gaat ook mee naar de judo op een gegeven moment, en dat wordt een leuke tijd. Ook mijn zus zit op dat moment op judo en is een echte vechter. Ze slaat Kevin in een gevecht per ongeluk een bloedneus. Waarop z’n vader hem een preek geeft in de auto terug naar huis en hem weer een watje noemt. Z’n vader was een lastpak, noemde z’n zoon constant watje, en gaf hem schoppen onder z’n hol als iets niet snel genoeg ging. Dat is wel typisch voor de boomer-generatie. Ze proberen je te harden met dat soort gedrag, maar je grens aangeven bij hen is verboden, boosheid moet je al helemaal niet mee aankomen, en zelf lopen ze (zogenaamd volwassen) te spacen op hun agressie met een sigaar in hun gezicht. Het is walgelijk. Hoe kan een kind ooit een sterke persoonlijkheid met zelfvertrouwen krijgen, met zo’n lul aan het roer. Juist door het agressieve toedoen van zulke figuren krijgen kinderen problemen met hun zelfvertrouwen of een enigszins lamlendige houding, en in plaats van dat zo’n vader dat ziet en zich afvraagt wat zijn aandeel daar in is, gaan die figuren hun zonen dan constant uitmaken voor watje om het ongedaan te maken. Iets wat dan al geen effect meer heeft. En wat ze bij wijze van spreken hun hele leven kunnen blijven doen. Het is walgelijk, maar die hele boomer-generatie bestaat uit zulke types die geen enkele zelfkritiek hebben. En de boomervrouwen geilen hierop. Ik zeg het een beetje respectloos, maar ik zie dat zoveel gebeuren. Ook bij mijn eigen ouders was het enigszins zo. Mijn vader kwam ook altijd nogal opgeblazen over toen wij jong waren. Vol zelfvertrouwen en mannelijke energie. En veel vrouwen vinden dat maar wat aantrekkelijk! Mijn moeder in ieder geval wel. Maar tegen z’n eigen ouders durfde hij niet in te gaan, bang om ze teleur te stellen in hun zeer onrealistische veeleisendheid.

Met mijn opa en oma van mijn vaders kant hadden we niet echt veel contact. Na het huwelijk van mijn ouders heeft hij op een gegeven moment het contact verbroken. Volgens mij, dat heeft hij me wel eens verteld, omdat ze te veel kritiek op mijn moeder gingen hebben. Petje af voor mijn vader dat hij voor z’n gezin koos. Later, toen de kinderen wat ouder waren, kregen ze weer contact, en ik ken mijn opa en oma van vaders kant dan ook pas vanaf m’n 12de ongeveer. Mijn opa was een heel bezorgde man, maar hij kwam ook heel onvoorspelbaar over, en preekte vaak vanuit het niets z’n afkeuring over iets van je gedrag. Oma was veeleisend, en mijn vader durfde hier absoluut niet tegen in te gaan. Ik zag mijn vader altijd ontzettend z’n best doen, hij rende de benen uit z’n lijf om ze beide tevreden te stellen. Want als ze teleurgesteld waren, dan berg je maar. In z’n jeugd sloeg mijn opa mijn vader ook wel eens hard voor z’n gezicht als hij iets verkeerds deed. Dat was blijkbaar zijn manier van communiceren en het kwam ook voor dat het tussen m’n oma en m’n vader tot een handgemeen kwam. Dus zo wordt het helemaal begrijpelijk, hoe problemen bij je eigen ouders ook zijn ontstaan. Dat begint vaak generaties terug. En dat maakt het dus begrijpelijk, maar wat belangrijker is, is dat het je taak is als ouder om met zulke problemen op tijd af te rekenen, zodat je ze niet doorgeeft aan de volgende generatie, maar hier is vaak therapie voor nodig, en aan jezelf werken, iets wat pas de Millennial-generatie, waar ik ook toebehoor, op grote schaal is gaan doen. Wij ruimen de rotzooi van onze voorouders op. En dat is een goede zaak, ook al schilderen veel mensen die geen problemen gehad hebben, je, egoïstisch dat ze zelf zijn, af als een watje of een mietje die nergens tegen kan, en die meer slaag had moeten krijgen. Ze zijn niet goed snik. De meeste van de Millennials confronteren hun ouders niet eens, omdat ze weinig inzicht hebben in wat nu eigenlijk probleemgedrag van hun ouders was en hoe dat hen heeft beïnvloedt. Maar ondertussen hebben ze wel vele klachten, en een levenslang gissen waar het vandaan komt. Ze zijn het contact met hun eigen kern al lang geleden verloren. En dat komt niet door te weinig slaag, maar juist door te jong te véél slaag, of te hoge eisen.

Maar terug naar de schoolvakanties, want ik heb een flinke bagage op dit gebied. En die komt vooral naar voren tijdens de vakanties, waarin ik me een ongeluk piekerde. De angsten waren dan alom aanwezig. M’n nagels vernielde ik totaal, door ze tot bloedens toe af te kluiven. Dit gaf mij een gevoel van controle. Als ik een spannende film zag, sliep ik nachtenlang niet, en lag ik zoals gewoonlijk zwetend in m’n bed, bang voor geesten en meer van zulke dingen. Ook was ik bang dat ik blind zou worden, en ziektes zou krijgen. Ik miste m’n vrienden ontzettend. Ik woonde ook in een uithoek en moest 25 kilometer met de bus om in de stad te komen. In de eerste jaren miste ik vooral de lol die ik met Frank van de middelbare school had, als het vakantie was. Dat had ik nog nooit gehad in mijn leven. Maar denk maar niet dat ik de telefoon pakte om af te spreken. Dat durfde ik niet. Het was zelfs een reden om te gaan twijfelen over m’n geaardheid. Maar het was niet zo simpel, want ik walgde echt van het idee om intiem met hem of met andere jongens te zijn, kreeg überhaupt geen erectie als ik aan jongens dacht, maar de angst om homo te zijn drong zich als een heel intrusieve gedachte gewoon steeds aan me op wanneer ik aan leuke meisjes dacht, vooral als ik alleen was. Ik sprak hier over met m’n ouders. Als ze zeiden dat ze ook van me hielden als ik homo zou zijn, dan had ik het gevoel dat ze me dwongen tot die gevoelens, zo beïnvloedbaar was ik. Ik dacht dan dat ze liever een homo als zoon hadden, dan een hetero. En liever wilden dat ik een meisje was dan een gezonde jongen. Gelukkig kon ik dit idee, als de school weer begon, van me afzetten en kon ik me dan weer richten op al die leuke meisjes die op school rondliepen. Was ik altijd al geïnteresseerd in meisjes geweest; in de puberteit werd ik seksueel ook in ze geïnteresseerd. Ik fantaseerde vaak over ze. Maar helaas kwam het meestal niet tot contact met ze, want ik was heel bang voor hun mening over mij. Ik hield mijn stille liefdes dus angstvallig geheim.

In de pauzes ging ik met Johan vaak muziek maken in het muzieklokaal, soms ook met Frank erbij. Dan speelden we piano en drumden we, en zo kregen we steeds meer lol in muziek. Thuis deed ik ontzettend veel met het Cakewalk Pro Audio muziekprogramma dat ik van meneer Hans had gekopieerd. Ik luisterde naar muziek op een cd of op tv, en probeerde het dan helemaal nootje voor nootje na te maken. Dat vond ik ontzettend leuk. Ook schreef ik m’n eigen muziek met dit programma, geen populaire muziek, maar meer orkeststukjes. In de vierde klas had Johan dan ook het wilde idee om de muziek bij het komende schooltoneelstuk te gaan schrijven. Ik was voorzichtig, maar uiteindelijk ben ik er vol voor gegaan. We werkten erg goed samen en gunden elkaar veel en konden ook echt kritisch zijn naar elkaar. Ik heb er veel van geleerd. En het resultaat was wel gaaf! Helaas klonk het op de computer beter dan wanneer het orkest het probeerde te spelen. Het waren leuke liedjes, maar van de uitvoering door het orkest, deugde niet zo veel, en we hadden dan ook te weinig rekening gehouden met het niveau van de verschillende orkestleden bij het schrijven van de muziek. Het volgende jaar zouden we het nóg een keer doen, en dat had meer kwaliteit dan het voorgaande jaar. Maar ook deze keer, was het orkest niet zo fantastisch. En raffelde iedereen het jammer genoeg maar een beetje af, zelfs Johan, die een hele pianopartij van één liedje dat ik geschreven had, niet speelde omdat Cakewalk het nogal raar noteerde. De partijen waren vaak ook weer te moeilijk, en sommige vielen dus helemaal weg in het uiteindelijke resultaat, zelfs hele melodieën. Dat was heel zonde. En maar weinig mensen oefenden hun partijen echt. Ondertussen zaten we met het orkest tijdens de toneelstukken stiekem tosti’s te bakken. Hilarisch, maar je kon niet zeggen dat er enige concentratie was. En ik ondertussen maar boze blikken geven aan iedereen als er dan echt gespeeld moest worden en ze maakten fouten. Heel onprofessioneel, maar het voelde ook echt alsof ik geen kritiek mocht hebben op de orkestleden en niets mocht uitleggen over hoe ze iets moesten spelen, want die taak nam de dirigent op zich, meneer Winkel, onze muziekdocent, en die had helaas niet hetzelfde hart voor de muziek als dat Johan en ik zelf hadden. We hebben ook nooit de opnames van de computer laten horen aan de orkestleden, want meneer Winkel gaf aan sommige stukken z’n eigen draai. Tot mijn grote ongenoegen, maar ook dat communiceerde ik niet. Verder hadden we één goede drummer, en eentje die nog veel moest leren. Deze goede drummer kon er op één avond niet zijn, en dus hadden we alleen de drummer die nog veel moest leren, die door alle stukken heen zat te hengsten op een woodblock. Het was afschuwelijk.

Meneer Winkel neemt aan het eind van de vijfde klas afscheid en omdat we zoveel aan hem te danken hebben, nemen we met een groep muzikanten uit het orkest een cd op. Compleet met afscheidswoord, ingesproken door mij, met dramatische muziek erachter, erg grappig vond hij dat. Johan had een printer en bedrukbare cd’s, dus ze zagen er ook nog eens mooi uit. In de zesde klas krijgen we meneer van Doorn als muziekleraar. Hij vroeg mij of ik meeging als blokfluitist op een muziekreis naar Frankrijk waar we zouden optreden met een grote groep mensen. Ik ging één keer naar een repetitie, maar ik heb op dat moment zoveel klachten, dat ik op het laatste moment afzegde en niet meeging.

Pas als ik wat voor de school betekende, kon ik trots zijn op mezelf, en voelde ik me echt iemand. Maar dan werd het weer vakantie, en begonnen de twijfels weer te komen. Ik merkte dat ik het lichaam van een vrouw mooi vond, maar dat ik het lichaam van een man ook mooi kon vinden. Ik werd er niet opgewonden van, maar ik vond het wel mooi. Dit was weer reden om erg angstig te worden. Het was echt een probleem voor mij, omdat ik m’n zelfvertrouwen zo onderuit haalde. Ik heb jarenlang periodes gehad, waarop ik constant aan het testen was: ben ik nu hetero-, homo-, of biseksueel? Ik werd heen en weer geslingerd en voelde me steeds iemand anders. Ik was er door geobsedeerd. Dit was afgrijselijk. Als ik een lelijke vrouw zag naast een knappe man, dan sloeg de angst me om het hart. Terug op school, verdwenen die identiteitsangsten weer als sneeuw voor de zon. Dan was er structuur.

Wat in de puberteit ook gebeurde, was dat ik ontzettend bang werd voor transseksuelen. Als ik met de bus van school naar huis reed, stapte er op het station van een naburig dorp op een bepaalde dag altijd een vrouw in, die wat mannelijke trekken had in haar gezicht, en ze had ook een beetje een lage stem. Ik was er van overtuigd dat zij transseksueel was (wat overigens niet eens waar bleek te zijn), en was iedere week op die bewuste dag, panisch (van binnen), als we het station naderde en ze instapte.

Gelukkig waren er nog meer mooie momenten op school. Bijvoorbeeld de reizen naar het buitenland. Zo hadden we in de derde klas een uitwisseling met Italië. Op basis van brieven werd je gekoppeld aan Italiaan. En ik werd gekoppeld aan de in de ogen van z’n klasgenoten grootste kneus van de klas, hoe verrassend. Het was geen kneus, maar het was vooral een hele onhandige jongen. Details van toen hij hier was, zal ik je besparen, ook al is dat hilarisch. Maar hij maakte er een flinke rotzooi van. Later in het jaar gingen we dan naar Italië. Voor het eerst in het buitenland, want met het gezin gingen we nooit verder dan Ouddorp aan Zee. In Italië ging het met m’n zus toen niet zo goed. Ze voelde zich erg ziek. Met mij ging het op dat moment beter, maar bij een sportwedstrijd moest ik een aantal kilometer lopen samen met Johan. En viel ik tijdens het rennen uitgeput flauw, omdat ik telkens maar doorging en doorging zonder grenzen. Johan rende gewoon door: die had meestal niet zoveel zorg naar een ander. Maar ik bleef stil liggen op de baan en m’n benen waren vuurrood. Al snel kwamen Frank en Abdel toegerend en die tilden me overeind. Ik had amper nog kracht om te lopen, en m’n bloeddruk werd opgenomen bij de ehbo, waar ze me aanraadden om als ik thuis was even langs de dokter te gaan, en te vertellen over dit voorval. Uiteindelijk werden we opgehaald door een halfvolle bus van de parallelle atheneumklas die naar een andere stad waren geweest dan wij. Ik ging als één van de laatste in de bus, en kwam dan ook naast de grootste pestkop, een meisje, te zitten, naast wie niemand wilde zitten. Ze begon aan het begin van de reis kwetsende opmerkingen te maken, en is daar de hele reis mee door gegaan. Totdat er iets brak bij me, en ik haar als een dolle op haar gezicht begon te slaan. Deze dame krabde ondertussen m’n nek open. “Stelletje apen!” riep Johan, die het zag gebeuren en Frank lag helemaal dubbel toen hij ineens van achter uit de bus mijn vuisten in het wilde weg zag rondslaan. Tja, het is niet iets waar ik trots op ben, maar ik kan ook niet zeggen dat ik er me echt voor schaam. Wat een naar mens was dat zeg. De rest van de reis was het heerlijk rustig…

In de vierde klas was er de Rome-reis, die gelukkig zonder vechtpartijen verliep, en waarbij ik veel foto’s maakte. We maakten een tussenstop in Florence. En onze leraar klassieke talen had ons gezegd welke trein we moesten nemen voor de vervolgreis. Frank, Abdel en ik besloten om even Florence in te gaan, om de prachtige Duomo, te bewonderen. We hadden geen tijd om naar binnen te gaan, maar we waren allen onder de indruk. Toen wij terugkwamen op het station, zagen we één van onze begeleiders uit een hogere klas, op het perron waar de vervolgtrein zou komen. Zij zei dat de trein die daar stond de trein was waar we in moesten. Dus wij gingen de trein in. De trein begon al vrij snel te rijden. Huh? Zit de rest er wel in, dachten wij. We bleken maar met z’n drieën in de trein te zitten, omdat de rest op het laatste moment te horen had gekregen dat ze een andere trein zouden nemen. Daar waren we dan, zonder telefoon, op weg naar Rome, terwijl de rest van de klas nog op het station van Florence stond. Abdel raakte meteen in paniek, maar Frank en ik lagen dubbel. We gingen meteen naar de conducteur om het uit te leggen. Hij zou in Florence de naam van onze leraar laten omroepen, die hij steevast verkeerd uitsprak, wat zijn naam dubbelzinnig maakte, waarop wij weer dubbellagen. Uiteindelijk kwamen we in Rome aan, en werden we door de conducteur mee naar voren genomen alwaar we zouden uitstappen. De deur ging open, en wie stonden daar: mijn broer Anton (die ook mee was gegaan als begeleider), en onze leraren. Ze hadden een snellere trein genomen waar ze korting voor hadden gekregen, en hadden ons ingehaald. Een prachtig avontuur, en gelukkig was Abdel ook weer rustig. Totdat z’n paspoort werd gestolen in een junkie-park, maar voor de rest ging het geloof ik wel…

In één van de laatste jaren, was er ook nog een reis van een paar dagen naar Ieper en Brugge in België, waar ik video-opnames van maakte, een mooi moment, waarop ik wederom opleefde. School was voor mij een geweldig afleiding en ik had er veel bereikt. Vanaf de vierde klas zaten we ook voor een groot deel met andere mensen. Er kwam een nieuw meisje op school, genaamd Anna. Zij kwam uit Bosnië en had eerst een tijdje in Duitsland gewoond. Nu woonde ze samen met haar zus Mina en haar ouders in een mooi huis vlakbij school, dat haar vader ondertussen aan het opknappen was. Ze had een ontzettend frisse, sprankelende uitstraling. Ze kon ook ontzettend trots vertellen over zichzelf of haar familie, iets waar sommige mensen wel eens om moesten lachen. De halve klas (de jongens dan) zat achter haar aan. Dat bleek ook wel op de Ieper-video waar drie jongens haar op de voet volgden, tijdens een fotomoment, en ik het vanuit de bus aan het filmen was, terwijl andere klasgenoten het uitgebreid van commentaar zaten te voorzien. Het was hilarisch, en ze maakte duidelijk indruk op iedereen, ook op mij.

In de latere middelbare schooljaren veranderde Frank ontzettend. Hij werd een beetje excentriek, krijgt een niet te ontcijferen handschrift, en begint naar moderne 20ste eeuwse componisten te luisteren als Shostakovich en Bartòk. Helaas lachen we dan ook niet meer zoveel als voorheen. Hij gaat zich ook erg op kunst richten en ontwerpt het decor van het tweede toneelstuk waar Johan en ik de muziek voor schrijven. Verder maakte ik met hem en een andere jongen uit de klas een film over het Belgische stadje Tongeren, die de leraar klassieke culturele vorming niet kon waarderen, omdat we ons totaal niet aan de opdracht hadden gehouden. Hij gaf ons dan ook een onvoldoende tot groot ongenoegen van de leraar culture kunstzinnige vorming, die toen met hem ging overleggen dat wij toch een voldoende zouden krijgen. We kregen uiteindelijk een 6-. Maar we hadden het een beetje aan onszelf te danken, want we hadden ons niet alleen niet aan de opdracht gehouden, maar we hadden ook na de serieuze versie, een niet-serieuze versie met geluidseffecten vertoont, wat erg grappig was, maar wat terecht niet werd gewaardeerd. Ook stonden er in de aftiteling rollen als ‘parapludrager’, ‘statiefdrager’, ‘catering: McDonald’s’ en ‘mental support: Ambiorix van Tongeren’, wat hij denk ik ook niet zo kon waarderen. Ambiorix van Tongeren had een standbeeld in Tongeren en tijdens de film hadden we hier prachtige shots van gemaakt, begeleid door een koraalachtig stuk uit deel 2 van het Concert voor Orkest van Bartòk. Het was een prachtige film al zeg ik zelf.

Toen Frank flink veranderde, ging ik ook meer met andere jongens in de klas optrekken. Eentje heette Theo. Een heel druk en slim gastje, die tot laat z’n jonge energie bewaarde. Hij trok op dat moment meer met Chris op en Lenny. Ze gingen bijvoorbeeld samen op vakantie. Chris was een jongen met wie ik vroeger ook muziekles had gehad, want hij woont in hetzelfde dorp als ik. Ik kan me nog goed herinneren dat hij zowat stikte in z’n blokfluit, omdat hij vergat te ademen. Ook hij had geen enkel besef dat er grenzen bestonden, en dat hij het mag zeggen als hij iets niet wil, en dat er dan naar hem geluisterd wordt. Hij kwam behoorlijk angstig over toen. Het was duidelijk een idee van z’n dominante maar naar ons erg hartelijke moeder Tiny dat hij op muziekles moest. Ook hij durfde niet tegen haar in te gaan. Later nam hij lenzen, en werd hij echter behoorlijk populair op onze middelbare school. Er was geen mens die hem niet mocht. Hij had geweldige humor! En luisterde samen met Theo naar allerlei bands. De laatste jaren van de middelbare school, nemen mijn zus, hij en ik vaak dezelfde bus. Dan vertelt hij z’n nieuwste woordgrappen, of maken we muziek (lawaai) in de bus. Zijn moeder Tiny had al een onuitwisbare indruk gemaakt bij de informatiebijeenkomst voor de Italië-reis in de vierde klas, waar ze de hemd van het lijf vroeg aan onze leraren, over de details van de reis. Ze was bijna heel de avond aan het woord. Iets waar wij helemaal dubbel om lagen, maar wat voor Chris minder grappig was.

Bij Theo thuis was het ook altijd erg gezellig. Hij had een hele leuke moeder, altijd heel hartelijk ook. En z’n vader was een leraar natuurkunde die veel van allerlei goede bands hield. Ook had Theo drie broertjes. Hij was zelf de oudste en er zaten nog 3 van diezelfde mannetjes onder hem, iedere keer een maatje kleiner. Tijdens een feestje roetsjte z’n jongste broertje op een matras van de trap af. En je zag wel vaker zulke taferelen. Meestal zaten we in de tv-kamer, een van de garage afgescheiden ruimte. Daar bekeken we dan flauwe komedies zoals Dumb & Dumber, en The Hot Chick en Deuce Bigalow, die we later Theo-en-Jesse-films gingen noemen. Toen Theo, Chris, en Lenny op vakantie waren, samen met nog wat vrienden van Lenny, bezocht ik hen op m’n fiets. Het was best ver, maar ik had geen grammetje vet aan mijn lijf en maakte er een sport van in die tijd om zo hard mogelijk te fietsen. Op dat stuk naar hun vakantieoord was ook een stukje dat ik met een pondje moest. Het was stralend weer, en ik genoot intens van de zomer en het mooie uitzicht over het water. Daar aangekomen, trapte ik helaas in iets scherps, waardoor het bloed uit m’n voet gutste, waarop ik gehecht moest worden. En niet kon fietsen. M’n vader kwam me toen ophalen. Het was echt weer wat voor mij.

Ik fietste nooit zo hard als Frank, want die kwam iedere dag op z’n racefiets naar school, 15 kilometer heen en 15 kilometer terug. Ik woonde 25 kilometer van school, maar af en toe ging ik toch op de fiets. Ik kon in driekwartier bij Theo in het dorp komen, en dan was het nog een kwartiertje naar de stad waar onze middelbare school was. Dat was voor mijn doen heel wat, want ik was helemaal niet sportief. Frank was echter wel heel sportief en ergens in de derde klas geloof ik, heeft hij een groot ongeluk, waarbij z’n fiets uit elkaar valt tijdens een rit, en hij met z’n gezicht over de straat schuift. Hij werd gevonden door iemand, en zag er verfomfaaid uit toen hij hersteld was en weer op school kwam. Hij had ook tanden verloren.

Toen ik in het zesde en laatste jaar zat, moesten we onze studiekeuze maken? Wat moet ik voor studie kiezen? Waarom moet de middelbare school nu eindigen? Ik was vooral het laatste jaar veel bezig met filmen en maakte voor maatschappijleer samen met Anna, (de sprankelende Bosnische verschijning), een film als praktische opdracht. Dat werd allemaal steeds leuker, en op een gegeven moment sprak ik naar haar uit dat ik haar wel leuk vond. Geen versieronzin welke enkel maar een valse weergave van jezelf geeft, waar de ander, als het ophoudt, alleen maar teleurgesteld van wordt, maar gewoon het direct uitspreken van mijn gevoelens. We kregen iets samen. Maar ik was zo bang voor de reactie van anderen, en schaamde me zo ontzettend voor mezelf, dat we het op mijn verzoek even geheim hielden. Wist ook totaal niet hoe dat allemaal werkte met zoenen, en dus verprutste ik op dat gebied alles, maar Anna had veel geduld met me en langzaamaan ging dat steeds beter. We schreven elkaar vaak brieven, die we op school dan aan elkaar gaven. Tegen het einde van het schooljaar, wist toch iedereen het, het ging geleidelijk, dat ik me ook wat meer op m’n gemak voelde erbij. Anna leerde me een beetje Bosnisch, en stelde me voor aan haar familie, hele hartelijke mensen. Haar vader maakte altijd grapjes over het Nederlands. Hij vond het grappig dat ik het woord ‘gemeentepils’ niet kende, en hij corrigeerde me dat ik een drempel in een routebeschrijving een ‘bobbel in de weg’ noemde, wat hij niet begreep. En altijd vroeg hij: “Hee jongen, alles proper?” Anna’s moeder zorgde altijd voor een stapel eten die ik mee naar huis kon nemen voor in de bus. Ik kwam regelmatig met mijn zus Lauren en ook soms met Chris bij hen over de vloer. Het moment dat we telefoontjes zouden krijgen of we geslaagd waren of niet, waren we ook bij haar thuis. Voor ons was het feestelijk. Maar helaas waren Frank en Chris niet geslaagd. Dus die moesten het examenjaar nog eens doen. Voor ons was het echter een prachtige tijd, maar toen de school ten einde was, en het vakantie werd, sloegen de twijfels weer toe. Ik ging weer piekeren. En het werd steeds erger, hoe intiemer ik werd met Anna. Ziekelijk dwangmatig testte ik weer op alle mannen en vrouwen die ik zag, of ik ze mooi vond en of ze me opwonden. Ik werd wéér heen en weer geslingerd tussen hetero-, homo, en bi-seksualiteit, en het bleek toen ook nogmaals dat ik geen duidelijke identiteit had, maar dat wist ik toen nog niet. En dat maakte dat ik hele angstige momenten had. Steeds wanneer ik aan Anna dacht, seksueel gezien, kwam een man om de hoek kijken in m’n hoofd, die me alle lust ontnam en me bang maakte, waardoor ik bang was dat ik geen erectie kon krijgen, en waardoor ik als verzoenend gebaar naar die innerlijke man knuffelfantasieën kreeg, die me helemaal van slag maakten, puur om de agressie van mannen die ik van binnen over me heen liet komen te dempen. Ik kreeg dit niet uit mijn hoofd: het was echt een gevolg van het trauma dat ik had naar mijn ouders, al wist ik dat toen nog niet, en het was vooral een probleem omdat ik m’n zelfvertrouwen zo onderuit haalde, en me in alles raar voelde, en bovendien seksueel ook niet functioneerde op dat moment.

Een nieuwe bijkomstigheid was dat het soms net leek alsof ik een vrouwenlichaam had. Bizar was dat. M’n zelfbeeld was zo verwrongen: alsof ik borsten had, en een vagina, terwijl ik dat absoluut niet wilde. En dat was toen ik klein was ook één van m’n angsten waar ik het wel eens over gehad had met m’n moeder: ik was bang dat ik borsten zou krijgen. Ik werd zelfs bang dat ik een geslachtsveranderende operatie moest ondergaan, tegen m’n zin. Want ik wílde het niet! Maar ik werd er toe gedwongen voor m’n gevoel. En ik had ook de dwang om vrouwelijke bewegingen te maken, maar enkel als ik alleen was. Ik wist natuurlijk wel dat het allemaal niet reëel was, maar ik kon m’n gevoel niet corrigeren met m’n verstand. Ik was erg depressief toen. Ik kreeg voor het eerst een antidepressivum, Efexor, en dat bracht meteen enige verlichting. Maar ondertussen reageerde ik mijn problemen af op Anna. Als zij even geen aandacht voor me had of wel heel opgewonden met een andere jongen stond te praten die mannelijker eruit zag dan ik, dan kolkte het bloed door m’n aders, dan was ik ontzettend jaloers, en dit was echt heel pijnlijk. Pas als boosheid om gedeelde aandacht er mag zijn, dán kan een mens aandacht delen, maar bij mij was m’n boosheid flink ingesnoerd, het mocht er niet zijn. En ik voelde me een zielig hoopje. Want ik wilde me ook zoals een man met zelfvertrouwen voelen, die tevreden was met zichzelf. Maar ik was verre van tevreden met mezelf. En werd steeds bozer, hoe intiemer ik met Anna werd. Als ik me aan haar ergerde, en dat was steeds vaker (gewoon omdat er zoveel van mijn eigen agressie aan de oppervlakte kwam, waar ik geen raad mee wist), was het meteen over met de verliefdheid. Heel zwart-wit was dat. In plaats dat ik in liefde communiceerde wat ik vervelend vond, ging ik haar heel onvolwassen van me afduwen, en communiceerde ik niet waar het echt om draaide. Ik kon met haar geen stappen verder gaan in deze toestand waarin ik overspoeld werd door angst. Tijdens het eindexamengala, wat zo mooi had moeten zijn, voelde ik me superslecht, ook al had ik een prachtig meisje naast me die mij het meeste van de tijd zo bewonderde om wie ik was. Dat liet ze me echt voelen, maar ik kon het niet op me laten inwerken, juist omdat het zo dichtbij kwam. Ik voelde van binnen gewoon geen duidelijk verschil tussen m’n zus, en m’n moeder, en mijzelf. En dat speelde zich zo diep van binnen af, dat het betrekking kreeg op m’n lichaam, waardoor ik het gevoel had dat ik een vrouwenlichaam had, wat ik als afgrijselijk ervaarde. Ik kon vrouwen niet loslaten wat per sé nodig is om je man te kunnen voelen, maar daar kwam ik pas veel later achter.

En toen brak de vakantie aan. Anna en ik zouden op dat moment naar Parijs gaan, en ik was kwaad op haar om een onbenullig iets. Hier spraken we aan de telefoon nog over en ze verdedigde zich. Ik wilde naar haar toekomen om er over te praten, maar dat wilde ze niet, want ik “zou toch hetzelfde zeggen”, en toen smeet ik uit woede de hoorn op de haak. Later heb ik haar in tranen nog proberen te bellen, maar ze was er niet meer, althans niet voor mij. De hele vakantie heb ik haar niet gesproken, en het was duidelijk dat het uit was, en dat wilde ze me stevig laten voelen. Het ging erg slecht met me en ik was er kapot van. Maar met de medicijnen kon ik het beter relativeren. Ik dacht: ik heb haar zo maar laten lopen! Waar heb ik me al die tijd druk om gemaakt!? Ik was in één keer van m’n klachten af, en ik voelde voor het eerst in mijn leven, een gezonde vechtlust. Dat was lang weggeweest. Aan het einde van de vakantie, net voordat ik naar de universiteit ging, bracht ik Anna als afscheid een grote ingelijste tekening die ik van een foto van haar gemaakt had. Volgens mij leek ie sprekend. En toen kon ik weer verder met m’n leven.

deel dit hoofdstuk:

Spring naar
een andere pagina:

2020-01-01T00:01:00Z
Deel 1: 1984-2017

Deel 1

1984—2017

Een overzicht van mijn bewogen jeugd, hoe mijn behandeling voor zware angst- en identiteits­problematiek helemaal misgaat, en hoe ik deal met de rampzalige gevolgen.

2020-01-01T00:02:00Z
Deel 2: 2018-2025

Deel 2

2018—2025

Hoe ik informatie ontdek over entiteiten die lichamen overnemen en hoe deze entiteiten uiteindelijk de aanval op mij en m’n omgeving openen.

2020-01-01T00:03:00Z
Deel 3: diverse onderwerpen

Deel 3

diverse onderwerpen

Hoe ik mijn ervaringen in therapie kan verklaren, welke andere dingen ik in m’n zoektocht naar waarheid ontdekt heb en mijn opinie over andere zaken.

2020-01-01T00:04:00Z
Artikelen

Artikelen

2020—2025

Een deel van de artikelen die ik in de loop van de tijd heb geschreven. Sommige staan offline nu, maar zijn opnieuw verschenen in de drie delen van mijn verhaal.

Loading...

Even geduld a.u.b.

Pagina wordt geladen...